Klimaatbestendige energie-infrastructuur
Een laadplein kan op papier goed zijn ontworpen en tijdens een hittegolf toch minder presteren. Een kabel kan netjes zijn berekend en na weken droogte toch warmer worden dan verwacht. En extreem lage waterstanden kunnen zelfs invloed hebben op de planning van infrastructurele projecten.
In deze blog bedoelen we met energie-infrastructuur het geheel dat nodig is om een laadplein betrouwbaar te laten functioneren: van netaansluiting, verdeling en bekabeling tot laadinstallaties en de omgeving waarin die techniek wordt aangelegd en gebruikt.
Dat is waar klimaatbestendige energie-infrastructuur over gaat. Niet over een extra duurzaamheidsparagraaf, maar over een simpele vraag:
Blijft de installatie doen wat je ervan verwacht als de omstandigheden extremer worden?
Voor laadpleinen van bussen, vrachtwagens en bouwmachines is dat belangrijk. Als de energie-infrastructuur minder presteert, merk je dat direct in de operatie. Voertuigen laden langzamer, zijn later beschikbaar of kunnen in het uiterste geval niet worden ingezet.
1. Hitte: een lader levert niet onder alle omstandigheden hetzelfde vermogen
In juni 2026 raakte de laadinfrastructuur van Hermes in Zuidoost-Brabant oververhit. Daardoor konden veel elektrische bussen niet worden geladen en kwam een groot deel van het busvervoer stil te liggen.
Zo’n incident maakt duidelijk dat hoge temperaturen niet alleen invloed hebben op voertuigen, maar ook op de infrastructuur waarmee ze worden geladen.
Een DC-lader produceert tijdens het laden zelf warmte. Die warmte moet worden afgevoerd. Hoe warmer de buitenlucht, hoe lastiger dat wordt.
Dat betekent niet dat iedere lader bij 35 of 40 graden automatisch minder vermogen levert. Dat hangt af van het ontwerp, de koeling, de plaatsing en de omstandigheden rond de lader.
Maar als een installatie zijn warmte niet meer voldoende kwijt kan, kan het laadvermogen worden teruggeschroefd om de techniek te beschermen. Dat heet derating.
Voor één voertuig betekent dat vooral langer laden. Op een busremise of truckdepot kan het grotere gevolgen hebben. Als tientallen voertuigen binnen een beperkt aantal uren moeten laden, kan minder laadvermogen betekenen dat niet iedereen op tijd klaar is voor vertrek.
Warmte speelt ook mee in de levensduur
Warmte is niet alleen een probleem op de dag zelf.
Onderzoek van TU Delft laat zien dat onderdelen in de vermogenselektronica tijdens het laden steeds opwarmen en daarna weer afkoelen. Dat gebeurt vele duizenden keren gedurende de levensduur van een laadinstallatie.
Die temperatuurwisselingen belasten de elektronica. Goede koeling helpt daarom niet alleen om uitval op een warme dag te voorkomen, maar speelt ook mee in de betrouwbaarheid en levensduur van de installatie.
Het onderzoek van TU Delft ging niet specifiek over een compleet laadplein tijdens een hittegolf. Het laat wel goed zien waarom warmteafvoer en koeling zulke belangrijke onderdelen zijn van het ontwerp van snellaadtechniek.
Voor een marktuitvraag is daarom één vraag belangrijker dan alleen de maximale bedrijfstemperatuur:
Hoeveel continu laadvermogen blijft beschikbaar als het buiten meerdere dagen erg warm is?
2. Droogte: ook de bodem rond een kabel verandert
Tijdens onze Expert Update DC-laadinfrastructuur op 3 september 2026 wees Paul Borghouts op een ander risico: de bodem rond een ondergrondse kabel is geen constante factor.

Een stroomkabel wordt warm als er stroom doorheen loopt. Die warmte moet via de kabel en de omliggende bodem worden afgevoerd.
Vochtige grond kan dat over het algemeen beter dan droge grond.
Bij kabelberekeningen wordt daarom onder andere gekeken naar de soortelijke warmteweerstand van de bodem. Hoe hoger die waarde, hoe moeilijker de bodem warmte afvoert.
Het verschil kan groot zijn. Een bodem met een warmteweerstand van 0,5 K·m/W voert warmte veel gemakkelijker af dan een bodem met 2,5 K·m/W. Dat is een factor vijf verschil in warmteweerstand.
Dat betekent niet dat een kabel daardoor vijf keer minder stroom kan voeren. De uiteindelijke kabeltemperatuur hangt van veel meer factoren af.
Juist daarom zijn de aannames in een kabelberekening zo belangrijk.
Denk bijvoorbeeld aan:
- de grondsoort;
- het vochtgehalte;
- de aanlegdiepte;
- kabelbuizen;
- andere kabels in de buurt;
- verharding boven het tracé;
- de belasting van de kabel;
- en de duur van die belasting.
Een goed rekenprogramma is zo goed als de aannames die je invoert
Voor kabelberekeningen zijn goede softwarepakketten en apps beschikbaar. De meeste daarvan kunnen de maximale stroombelastbaarheid van een kabel prima berekenen, zolang de juiste uitgangspunten worden ingevoerd.
Ook uitgebreidere rekenmethoden, zoals finite element-analyses, kunnen zeer nauwkeurige uitkomsten geven. Die zijn vooral nuttig bij complexe situaties waarin bijvoorbeeld meerdere kabels, afwijkende geometrieën, grondlagen of lokale warmtebronnen een rol spelen.
Maar een nauwkeuriger rekenmethode lost één fundamenteel probleem niet op:
de uitkomst blijft afhankelijk van de aannames die je invoert.
Als in een berekening wordt aangenomen dat de bodem altijd voldoende vochtig blijft, terwijl diezelfde bodem tijdens droge zomers sterk uitdroogt, kan ook een uitstekend rekenprogramma een te gunstige uitkomst geven.
Hetzelfde geldt voor andere parameters, zoals:
- de warmteweerstand van de bodem;
- omgevingstemperatuur;
- aanlegdiepte;
- kabelafstand;
- kabelbuizen;
- belastingprofiel;
- gelijktijdigheid;
- aanwezigheid van andere warmtebronnen;
- en toekomstige uitbreiding.
Een berekening kan wiskundig dus volledig correct zijn, terwijl de uitkomst in de praktijk toch niet klopt omdat de uitgangspunten te gunstig waren gekozen.
De belangrijkste vraag is daarom niet alleen:
Met welk programma is gerekend?
Maar vooral:
Met welke aannames en invoerparameters is gerekend, en zijn die representatief voor de werkelijke situatie gedurende de levensduur van de installatie?
De ongunstigste plek kan de hele kabel bepalen
Een kabeltracé heeft niet overal dezelfde omstandigheden.
Een kabel kan bijvoorbeeld grotendeels door gunstige grond lopen, maar op één plek door een mantelbuis, dicht langs andere kabels of door een deel van de bodem waar warmte moeilijker wordt afgevoerd.
Juist zo’n plek kan bepalend zijn voor de dimensionering.
Bij een doorlopende kabelverbinding moet de stroombelastbaarheid worden afgestemd op het deel van het tracé waar de warmte het moeilijkst kan worden afgevoerd. Een relatief kort ongunstig deel kan daardoor van invloed zijn op de kabelkeuze voor de hele verbinding.
Dat maakt een goed beeld van het volledige tracé belangrijk.
Alleen rekenen met een gemiddelde bodemwaarde kan dan een te gunstig beeld geven.
Een warme kabel kan de grond zelf verder uitdrogen
Onderzoek van de TU Darmstadt laat nog een extra effect zien.
Een zwaar belaste kabel verwarmt de grond direct rondom de kabel. Daardoor kan vocht zich verplaatsen en kan vlak rond de kabel een drogere zone ontstaan.
Die drogere grond voert warmte vervolgens weer slechter af. De kabel kan daardoor verder opwarmen.
Het onderzoek liet in zand duidelijk zien hoe groot dat verschil kan worden. Na uitdroging liep de warmteafvoer sterk terug. Na regen nam het vocht rond de kabel weer toe en daalde de kabeltemperatuur.
Langdurige droogte kan het probleem dus versterken. Maar ook de kabel zelf kan lokaal bijdragen aan uitdroging van de bodem.
Bij zware laadpleinen is dat relevant. Daar kunnen voedingskabels, afhankelijk van het laadprofiel en het loadmanagement, langdurig zwaar worden belast.
De praktische les is daarom eenvoudig:
Kijk bij een kabelberekening niet alleen naar kabeldoorsnede en stroom, maar ook naar de omstandigheden waarin de kabel werkelijk komt te liggen.
Wie verder wil lezen, vindt hier het veldonderzoek van TU Darmstadt naar warmteafvoer en uitdroging rond ondergrondse kabels.
‘Een paar graden warmer’ is geen ontwerpmethode
In discussies over kabeltemperatuur wordt soms gezegd: wat maakt een paar graden extra uit? Dan gaat de kabel misschien een paar jaar korter mee. Een laadplein is toch maar voor vijftien jaar ontworpen.
Zo eenvoudig ligt het niet.
De maximaal toegestane geleidertemperatuur van een kabel is een technische grens. Bij veel kabels met XLPE-isolatie ligt die grens bij continu bedrijf bijvoorbeeld op 90 graden.
Die grens is niet bedoeld als een marge die je bewust overschrijdt in ruil voor een kortere levensduur.
Bovendien verloopt thermische veroudering niet lineair. Een paar graden hoger betekent dus niet simpelweg een paar jaar minder levensduur. Hoe snel een isolatiemateriaal veroudert, hangt af van temperatuur, materiaal, belasting in de tijd en andere omstandigheden.
Daar komt nog iets bij.
De technische levensduur van de kabelinfrastructuur hoeft niet gelijk te zijn aan de geplande gebruiksduur van het eerste laadplein. Laders kunnen worden vervangen, het laadplein kan worden uitgebreid en de energie-infrastructuur kan ook in een volgende gebruiksfase nog waarde hebben.
Een kabel die tijdens zijn eerste gebruiksfase ruim binnen zijn thermische grenzen blijft, houdt daarom meer technische speelruimte voor de toekomst.
De ontwerpvraag zou dus niet moeten zijn:
Hoe warm kunnen we de kabel laten worden als hij maar vijftien jaar meegaat?
Maar:
Welke kabel en aanlegcondities zorgen ervoor dat de verbinding onder de zwaarste te verwachten omstandigheden binnen zijn technische grenzen blijft en ook later bruikbaar blijft?
3. Extreem weer kan ook de bouwplanning raken
Klimaatbestendigheid gaat niet alleen over wat er gebeurt als een installatie eenmaal in bedrijf is.
Dat zagen we in 2026 bij de Dijkalliantie Neder-Betuwe. Langs de Waal wordt meer dan twintig kilometer dijk versterkt.

In de zomer van 2026 stond het water in de Waal uitzonderlijk laag. Daardoor kon tijdelijk geen klei per schip worden aangevoerd.
Een deel van de kleiwerkzaamheden werd daarom opgeschort en de planning werd aangepast.
Op dat moment was er volgens Waterschap Rivierenland nog voldoende ruimte in de planning om dit op te vangen. Maar het voorbeeld laat wel zien dat extreem weer invloed kan hebben op de uitvoering van infrastructurele projecten.
Dat geldt ook voor energie-infrastructuur.
Lage waterstanden, extreme neerslag, hitte of langdurige droogte kunnen invloed hebben op transport, bereikbaarheid, aanleg en onderhoud.
Klimaatbestendig ontwerpen begint dus niet pas wanneer een installatie wordt ingeschakeld.
Wat betekent dit voor een laadplein?
Bij een nieuw laadplein is het niet genoeg om alleen te controleren of alle onderdelen op papier binnen hun technische grenzen blijven.
Je wilt ook weten wat er in de praktijk gebeurt als de omstandigheden tegenzitten.
Bijvoorbeeld:
- Hoeveel laadvermogen blijft beschikbaar tijdens meerdere hete dagen achter elkaar?
- Wanneer gaat een lader automatisch minder vermogen leveren?
- Kunnen de kabels hun warmte ook kwijt na een lange droge periode?
- Welke bodemcondities zijn gebruikt bij de kabelberekening?
- Met welke aannames en invoerparameters is gerekend?
- Welke plek in het kabeltracé vormt thermisch de meest ongunstige situatie?
- Is die ongunstigste ligging meegenomen in de dimensionering van de hele kabelverbinding?
- Wat gebeurt er als een onderdeel te warm wordt: terugregelen, alarm geven of uitschakelen?
- Wie moet ingrijpen als de prestaties teruglopen?
- Welke prestaties zijn door de leverancier daadwerkelijk gegarandeerd?
Deze vragen horen niet pas bij het beheer. Ze moeten al terugkomen in het ontwerp, de marktuitvraag en de afspraken met leveranciers.
Green Fellows neemt dit soort uitgangspunten mee in quickscans, ontwerp, marktuitvragen en onafhankelijke toetsing van laadinfrastructuur.
Een bedrijfstemperatuur op een datasheet zegt niet genoeg
In een technische specificatie staat bijvoorbeeld dat een lader tussen -30 en +50 graden kan werken.
Dat klinkt duidelijk, maar het zegt nog niet hoeveel vermogen de installatie bij 40 of 45 graden werkelijk levert.
Een installatie kan technisch nog gewoon aanstaan, terwijl het beschikbare laadvermogen al lager is.
Voor de operatie kan dat een groot verschil maken.
Daarom is het verstandig om bij een marktuitvraag niet alleen naar de maximale bedrijfstemperatuur te vragen.
Vraag ook:
- welk continu laadvermogen bij hoge temperaturen wordt gegarandeerd;
- wanneer derating begint;
- hoe sterk het vermogen daarna terugloopt;
- en onder welke omstandigheden de installatie uitschakelt.
Daarmee krijg je een veel beter beeld van wat de installatie onder zware omstandigheden werkelijk kan.
Wie draagt het risico als het vermogen terugloopt?
Dit is niet alleen een technische vraag. Het is ook een afspraak tussen opdrachtgever, leverancier, installateur en beheerder.
Stel dat een laadplein tijdens een hittegolf nog maar een deel van het nominale vermogen levert.
Is dat normaal gedrag van de installatie?
Is het een storing?
Of is nooit afgesproken welk vermogen onder die omstandigheden beschikbaar moest blijven?
Hetzelfde geldt voor kabels. Een kabelberekening kan technisch correct zijn uitgevoerd, maar als de gekozen invoer niet overeenkomt met de werkelijke omstandigheden, kan de uitkomst alsnog te gunstig zijn.
Als bijvoorbeeld met vochtige grond is gerekend terwijl een deel van het tracé tijdens droge perioden veel slechter warmte afvoert, ligt het probleem niet noodzakelijk bij het rekenprogramma. Dan moet je terug naar de gekozen uitgangspunten.
Als je dat vooraf niet duidelijk maakt, komt het risico ergens tussen opdrachtgever, ontwerper, installateur en leverancier te liggen.
Daarom horen prestaties bij hoge temperaturen, kabelberekeningen, gehanteerde uitgangspunten, derating, noodgedrag en verantwoordelijkheden thuis in de marktuitvraag en in de afspraken over beheer.
Ontwerpen voor omstandigheden die veranderen
Klimaatbestendige energie-infrastructuur betekent niet dat iedere installatie tegen iedere denkbare extreme situatie bestand moet zijn.
Het betekent wel dat je bij het ontwerp nadenkt over omstandigheden die tijdens de levensduur van de installatie kunnen veranderen.
Bij zware laadpleinen gaat het bijvoorbeeld om:
- hogere omgevingstemperaturen;
- langdurige droogte;
- veranderende bodemcondities;
- ongunstige delen in kabeltracés;
- langdurige hoge elektrische belasting;
- uitbreiding van het laadplein;
- vervanging van laadtechniek;
- en de gevolgen daarvan voor beheer en onderhoud.
Daarbij loont het om verder te kijken dan alleen de eerste gebruiksfase.
Een laadplein kan na tien of vijftien jaar technisch veranderen, terwijl een goed ontworpen kabelverbinding nog veel langer bruikbaar kan zijn. Wie nu alleen op minimale capaciteit ontwerpt, beperkt mogelijk de mogelijkheden voor later.
De kern is eenvoudig:
Een laadplein moet niet alleen goed werken op een gemiddelde dag. Het moet ook voorspelbaar blijven functioneren als de omstandigheden minder gemiddeld worden.
Tijdens de Expert Update DC-laadinfrastructuur bespreken we dit soort onderwerpen met ontwerpers, installateurs, netbeheerders, leveranciers en gebruikers van laadpleinen.
Heb je één concrete vraag over bijvoorbeeld kabels, laadvermogen, warmte, beheer of een technische aanbieding? Dan kun je ook gebruikmaken van de Green Fellows Helpdesk.
Bronnen en verdieping
- KNMI over de zomer van 2026
- Bericht over de oververhitte laadinfrastructuur van Hermes
- TU Darmstadt: veldonderzoek naar warmteafvoer en uitdroging rond ondergrondse kabels
- TU Delft: onderzoek naar warmte, koeling en levensduur van DC-snellaadtechniek
- Waterschap Rivierenland over Dijkversterking Neder-Betuwe
- NEN-IEC 60287-2-1 – berekening van stroombelastbaarheid en thermische weerstand van elektrische kabels
- IEC 60364-5-52 / NEN 1010 – dimensionering en stroombelastbaarheid van leidingen
