Illustratie van een logistieke locatie met zonnepanelen, elektrische laadpunten en zwaar vervoer aan het water

Wat zijn ERE certificaten? Dit betekent de overstap van HBE naar ERE

Sinds 2026 is de systematiek voor duurzame energie in vervoer veranderd.
HBE’s zijn vervangen door ERE certificaten.

Dat komt door de invoering van RED III, de Europese regels voor hernieuwbare energie in transport. Voor veel partijen in de laadmarkt is de basis herkenbaar gebleven, maar de berekening, administratie en onderbouwing zijn veranderd.

De belangrijkste wijziging is simpel:
je verhandelt geen HBE’s meer, maar ERE’s.

In deze blog leggen we uit wat ERE certificaten zijn, waarom deze wijziging is doorgevoerd en wat dit betekent voor laadinfra, eigen opwek en kleinere marktpartijen.

Eerst even terug: wat waren HBE’s?

HBE staat voor Hernieuwbare Brandstofeenheid.
Een HBE was gekoppeld aan de energie-inhoud van een duurzame brandstof of elektriciteitslevering aan vervoer.

Bij elektrisch laden betekende dit in de praktijk meestal:
hoe meer duurzame kWh je leverde aan vervoer, hoe meer HBE’s je kon ontvangen.

Dat systeem werkte, maar stuurde vooral op hoeveel energie werd geleverd. Minder op hoeveel uitstoot daarmee daadwerkelijk werd vermeden.

En precies daar zit de overstap naar ERE’s.

Wat zijn ERE certificaten?

ERE staat voor Emissiereductie Eenheid.
Een ERE is een certificaat dat gekoppeld is aan de daadwerkelijke CO₂-reductie in de keten.

Dat is het fundamentele verschil met HBE’s.

De overheid stuurt met ERE’s veel explicieter op:

  • welk type energie is gebruikt;
  • waar die energie vandaan komt;
  • hoeveel uitstootreductie die levering daadwerkelijk oplevert;
  • en hoe dat aantoonbaar is gemaakt.

Niet alleen energie telt dus mee, maar vooral emissiereductie.

Wat is het verschil tussen HBE en ERE?

Het verschil tussen HBE en ERE zit vooral in de rekenbasis.

Bij HBE’s gold vooral:

  • hoeveel energie is geleverd;
  • welk energietype is toegepast.

Bij ERE’s telt zwaarder mee:

  • hoeveel CO₂-reductie de levering oplevert;
  • hoe schoon de bron is;
  • en hoe goed die bron administratief aantoonbaar is.

Dat betekent dat niet iedere kWh automatisch dezelfde waarde vertegenwoordigt.

Dezelfde levering kan in de nieuwe systematiek anders uitpakken dan voorheen.

Hoe worden ERE certificaten berekend?

ERE certificaten worden niet alleen bepaald door het aantal geleverde kWh.
De opbrengst hangt ook af van de emissiereductie van de gebruikte energieketen.

Dat betekent dat onder andere meespeelt:

  • de herkomst van de elektriciteit;
  • de CO₂-intensiteit van de keten;
  • de administratieve onderbouwing;
  • en de vraag of de levering correct aan vervoer is toegerekend.

Praktisch voorbeeld

Twee laadlocaties leveren allebei evenveel stroom aan elektrische voertuigen.

  • Locatie A gebruikt aantoonbaar duurzaam opgewekte stroom;
  • Locatie B gebruikt stroom met een minder gunstig of minder goed onderbouwd profiel.

Dan kan locatie A meer ERE certificaten genereren dan locatie B, ondanks hetzelfde aantal kWh.

Niet elke kWh levert dus automatisch dezelfde certificaatwaarde op.

Waarom is deze wijziging ingevoerd?

Met RED III wil Europa beter sturen op feitelijke verduurzaming van vervoer.
Niet alleen op het gebruik van hernieuwbare energie, maar op meetbare uitstootreductie.

Voor de markt betekent dit:

  • meer focus op ketenemissies;
  • scherper onderscheid tussen energiedragers;
  • en meer nadruk op controleerbare bewijsvoering.

Voor partijen met laadinfrastructuur is dat relevant, omdat de waarde van certificaten steeds sterker samenhangt met de kwaliteit en aantoonbaarheid van de levering.

Goede administratie is daarmee onderdeel van de opbrengst geworden.

Drie belangrijke veranderingen in de ERE-systematiek

Naast de nieuwe rekenmethode zijn er ook een paar praktische wijzigingen die veel impact hebben op marktpartijen.

1. Kleinere partijen werken vaker via een inboekdienstverlener

Een belangrijke wijziging is de rol van de inboekdienstverlener.

Partijen met een relatief klein levervolume kunnen hun ERE certificaten niet altijd meer zelfstandig inboeken en verhandelen. In de praktijk betekent dit dat kleinere exploitanten of leveranciers vaker via een gespecialiseerde partij moeten werken.

Zo’n inboekdienstverlener verzorgt doorgaans:

  • de administratie;
  • de claimrichting;
  • de markttoegang;
  • en de auditondersteuning.

Voor kleinere partijen verschuift de rol van zelf doen naar laten organiseren.

Nadeel

  • minder directe controle over timing en marktbenadering;
  • afhankelijkheid van contractvoorwaarden en verdeling;
  • minder autonomie in de keten.

Voordeel

  • lagere administratieve last;
  • minder auditdruk;
  • en vaak een efficiëntere afhandeling bij kleinere volumes.

Voor kleinere laadlocaties of exploitanten is dat in veel gevallen praktisch, al lever je wel flexibiliteit in.

Minder vrijheid, maar vaak ook minder overhead.

2. Certificaten zijn sterker gekoppeld aan de vervoerssector

Een tweede verandering is dat de systematiek strakker per vervoerssegment is ingericht.

Dat betekent dat certificaatstromen uit bijvoorbeeld watergebonden toepassingen minder vanzelfsprekend beschikbaar zijn voor wegvervoer. De systematiek stuurt nu duidelijker per sector.

Voor wegvervoer betekent dat in de praktijk:

  • minder ruimte om op andere sectorstromen te leunen;
  • meer afhankelijkheid van eigen duurzame leveringen;
  • en dus meer waarde in goed georganiseerde laadinfrastructuur.

Wegvervoer moet het meer uit de eigen markt halen.

Wat betekent dat voor de markt?

Als de verplichting in wegvervoer stevig blijft, terwijl het aanbod minder breed inzetbaar is, dan kan dat de marktwaarde van ERE certificaten beïnvloeden.

Dat hangt uiteraard af van volume, naleving en marktgedrag.
Maar inhoudelijk is het logisch dat goede leveringen in wegvervoer waardevoller worden.

3. Eigen opgewekte stroom vraagt meer bewijs

Voor partijen met eigen opwek, zoals een PV-installatie op locatie, is de systematiek strenger geworden.

Dat is logisch, want juist bij eigen opwek wil de overheid beter kunnen controleren:

  • waar de stroom vandaan komt;
  • of die echt voor vervoer is ingezet;
  • en of daar niet dubbel voordeel op wordt geclaimd.

Eigen opwek blijft interessant, maar vraagt meer bewijsvoering dan voorheen.

Wat speelt hierbij?

Als je ERE certificaten wilt claimen op eigen opgewekte stroom, dan moet je kunnen aantonen dat die stroom daadwerkelijk aan vervoer is toegerekend en niet dubbel in een andere regeling of claim terechtkomt.

Daarbij spelen in de praktijk onderwerpen zoals:

  • de relatie met subsidie;
  • de administratieve scheiding van stromen;
  • en de herkomstbewijzen van de opgewekte elektriciteit.

Voor veel partijen zit hier de echte uitdaging niet in techniek, maar in:

  • meetinrichting;
  • administratieve inrichting;
  • en bewijsbaarheid.

Juist daar gaat in de praktijk vaak waarde verloren.

Wat betekent dit voor laadinfra-exploitanten?

Voor exploitanten van laadlocaties verandert de kern van het model niet volledig.
Je blijft duurzame levering aan vervoer administreren en verzilveren.

Maar waar eerder vooral volume centraal stond, telt nu zwaarder mee:

  • hoe goed je bron aantoonbaar is;
  • hoe je energiestromen zijn ingericht;
  • hoe je administratie is opgebouwd;
  • en of je inboekstructuur past bij je volume.

Dat maakt een paar dingen belangrijker dan voorheen:

  • goede meetdata;
  • duidelijke allocatie;
  • sluitende contracten;
  • en een correcte claimketen.

Techniek alleen is niet genoeg. De ketenadministratie bepaalt mee wat je overhoudt.

Is de overstap van HBE naar ERE een probleem?

Voor de meeste marktpartijen is het antwoord: nee, maar onderschat het niet.

De markt voor certificaten blijft bestaan.
Ook de businesscase rond duurzame levering aan vervoer blijft overeind.

Wat wel verandert, is dat de systematiek:

  • inhoudelijk specifieker is;
  • administratief strakker is;
  • en minder ruimte laat voor slordige onderbouwing.

Voor partijen die hun data, contracten en energiestromen goed op orde hebben, hoeft dit geen probleem te zijn.

Maar improvisatie wordt wel sneller zichtbaar.

Conclusie: ERE certificaten maken emissiereductie leidend

De overstap van HBE naar ERE certificaten betekent vooral dat de markt meer op echte CO₂-reductie is gaan sturen.

Dat is inhoudelijk logisch.

Voor laadinfra, CPO’s, fleetpartijen en locaties met eigen opwek betekent het vooral dat:

  • bronkwaliteit belangrijker is geworden;
  • bewijsvoering zwaarder meeweegt;
  • en de inrichting van je keten direct invloed heeft op je opbrengst.

Wie zijn administratie en energiestromen goed organiseert, staat aantoonbaar sterker.

Vergelijkbare berichten